Waarom ik onderzoek doe naar de mannen in mijn familie

Daar staat hij, papa. De vierde van rechts.

Achttien jaar, een broekie nog. En toch besloot hij in 1944 zijn leven te wagen en zich vrijwillig aan te sluiten bij het geallieerde leger, om Nederland te helpen bevrijden.

Ik begon vorig jaar met een onderzoek naar het oorlogsverleden van mijn vader (mijn vader, ja. Niet mijn opa). We wisten dat hij had meegevochten, maar niet precies wát hij had gedaan.

Urenlang zocht ik in het Nationaal Archief naar sporen van zijn diensttijd. Met de kale feiten vormde ik een beeld: hij zat bij de Binnenlandse Strijdkrachten, volgde een versnelde opleiding in België en werd als soldaat ingedeeld bij de Eerste Pioniergroep van het Canadese leger, waarmee hij in Duitsland betrokken was bij de opmars van de geallieerden.  

Sindsdien duiken er steeds meer puzzelstukjes op. Zoals deze foto, die ik onlangs kreeg van het Stadsmuseum Grave (de stad waar mijn vader opgroeide). De vage verhalen krijgen zo langzaamaan een gezicht.

In onze familie vindt niet iedereen het fijn dat ik dit onderzoek. ‘Hij wilde er niet over praten. Laat het verleden rusten, uit respect voor hem.’

Maar wat betekent respect? Houd je iemand in ere door zijn zwijgen te volgen? Of zet je diegene juist in het licht door woorden te geven aan het verhaal dat hij zelf niet kon vertellen?

Ik kies voor het laatste. Zoals ik ook deed voor mijn broer, die in 2005 een einde aan zijn leven maakte en over wie ik het boek De Valk schreef.

Omdat ik niet geloof in doofpotten, wegkijken en net doen of er nooit iets is gebeurd. We worden gevormd door het verleden van onze (voor)ouders, of we nu willen of niet. Daarom vertel ik de verhalen over de mannen in mijn familie. Voor hen, voor mezelf, en vooral: voor mijn drie zoons.